Dizionario olandese–italiano

Traduzione italiana della parola olandese gaan

olandese → italiano
  
olandeseitaliano (tradotto indirettamente)esperanto
andare
;
camminare
🔗 Ik ging door de steeg aan den achterkant en klom over den muur, zodat ik op het terrein van het kasteel terecht kwam.
(overgaan)
🔗 Opnieuw ging de gong.
(rijden)
camminare
uscire
🔗 Hij was er bij het ochtendkrieken reeds opuit gegaan en nu stond hij achter een zware boom naar het geheimzinnige bouwwerk te kijken.
(vertrekken; weggaan; heengaan; ophoepelen; opkrassen; opstappen)
andarsene
;
partire
🔗 Neemt u me niet kwalijk, meneer Brunel, dat ik ervandoor ga.
(mijden; ontwijken)
evitare
🔗 Ṿerscheidene dagen gingen vader en zoon elkaar uit de weg.
(betreffen; raken; gaan om)
concernere
;
riguardare
🔗 Is dat niet een zaak die u aangaat?
(aanvangen; beginnen; aanvaarden; inzetten; een begin maken met; aanheffen)
cominciare
🔗 Na mijn emotionele uitbarsting ben ik een gesprek aangegaan met mijn leidinggevende.
convenire
🔗 Kijk, dat gaat niet aan.
sparare
🔗 Hij voelde de kracht van den kogel nog vóór hij het geweer hoorde afgaan.
(vertrekken; weggaan; zich verwijderen; heengaan; opstappen)
andarsene
;
partire
visitare
(intreden)
entrare
🔗 Aynger ging er binnen en wenkte de anderen.
(aanvangen; beginnen; een aanvang nemen)
cominciare
🔗 De staking moet zaterdag om 21:00 uur ingaan.
(beschouwen; overwégen; bekijken)
considerare
(gebeuren; geschieden; voorvallen; plaatsgrijpen; plaatsvinden; zich afspelen; passeren; gevallen; zich toedragen; vóórkomen)
accadere
;
arrivare
;
succedere
🔗 Niemand vertelt hem nog wat er omgaat in de wereld.
(klimmen; naar boven gaan; rijzen; bestijgen; opstijgen; omhooggaan; beklimmen)
salire
🔗 Ze gingen de trap op en de rook drong prikkelend in hun longen.
(rijzen; stijgen; wassen; oprijzen; opstijgen; zich verheffen; de hoogte in gaan)
salire
(gaan; klinken; slaan)
🔗 Zodra ik de telefoon hoorde overgaan, wist ik dat jij het was.
(óverlopen; óvertrekken)
attraversare
stukgaan
(breken; afbreken)
rompersi
(terugkeren; teruglopen)
ritornare
🔗 Zullen we dan maar teruggaan?
(uitlopen)
uscire
🔗 U wist dat Molly met andere mannen uitging?
annegarsi
;
affogare
;
annegare
(vervolgen; doorgaan met; voortgaan met)
continuare
🔗 Ga voort, Hoebe.
(afgaan; vertrekken; zich verwijderen; heengaan; ophoepelen; opstappen; ervandoor gaan)
andarsene
;
partire
🔗 Om vier uur gaan we weg.