| Nederlands | Afrikaans (onregstreeks vertaal) | Esperanto |
|---|
| ; | <futura helpverbo> |
🔗 Wat gaan we doen, chef?
|
| | |
🔗 Ik ging door de steeg aan den achterkant en klom over den muur, zodat ik op het terrein van het kasteel terecht kwam.
|
| (overgaan) | | |
|
| (rijden) | | |
| (zich begeven; varen) | | |
🔗 Hij ging naar de eetzaal van het hotel en nam plaats aan de hoek van een tafel.
|
| | |
🔗 Ze zijn met de auto gegaan en moesten een anderhalf uur rijden.
|
| | |
🔗 Op die manier gaat het niet.
|
eraan gaan | | |
| ; | |
🔗 Hij was er bij het ochtendkrieken reeds opuit gegaan en nu stond hij achter een zware boom naar het geheimzinnige bouwwerk te kijken.
|
| (zich uit de voeten maken; de benen nemen) | ; | |
🔗 Ze zijn ervandoor gegaan met tienduizenden euro’s.
|
| | |
🔗 Ze gaan er met de schatten vandoor!
|
| (vertrekken; weggaan; heengaan; ophoepelen; opkrassen; opstappen) | | |
🔗 Neemt u me niet kwalijk, meneer Brunel, dat ik ervandoor ga.
|
| (mijden; ontwijken) | vermy | |
🔗 Ṿerscheidene dagen gingen vader en zoon elkaar uit de weg.
|
| (sluiten; afsluiten; aandoen; toebrengen) | ; | |
🔗 U bent het contract aangegaan voor 1 jaar.
|
| (aanvangen; beginnen; aanvaarden; inzetten; een begin maken met; aanheffen) | ; ; ; ; ; | |
🔗 Na mijn emotionele uitbarsting ben ik een gesprek aangegaan met mijn leidinggevende.
|
| | |
🔗 Kijk, dat gaat niet aan.
|
| | |
🔗 Hij voelde de kracht van den kogel nog vóór hij het geweer hoorde afgaan.
|
| | |
🔗 Ongetwijfeld was er een alarm afgegaan.
|
| (vertrekken; weggaan; zich verwijderen; heengaan; opstappen) | | |
| ; ; ; | |
| (aanvangen; beginnen; een aanvang nemen) | ; ; ; | |
🔗 De staking moet zaterdag om 21:00 uur ingaan.
|
| (beschouwen; overwégen; bekijken) | ; ; | |
| (natrekken; onderzoeken; uitvissen) | | |
🔗 Het zou u niet veel moeite kosten een en ander na te gaan.
|
| (gebeuren; geschieden; voorvallen; plaatsgrijpen; plaatsvinden; zich afspelen; passeren; gevallen; zich toedragen; vóórkomen) | ; ; ; ; ; | |
🔗 Niemand vertelt hem nog wat er omgaat in de wereld.
|
| (lijden) | ; | |
🔗 Laat hem maar ondergaan wat hij verdient.
|
| (klimmen; naar boven gaan; rijzen; bestijgen; opstijgen; omhooggaan; beklimmen) | | |
🔗 Ze gingen de trap op en de rook drong prikkelend in hun longen.
|
| (gaan; klinken; slaan) | | |
🔗 Zodra ik de telefoon hoorde overgaan, wist ik dat jij het was.
|
| (óverlopen; óvertrekken) | | |
stukgaan (breken; afbreken) | ; | |
| (razen; uitvaren) | | |
🔗 Zijn hart bonkte in zijn keel en zijn hoofd voelde alsof iemand er met een moker in tekeerging.
|
| (woeden) | | |
| (dichtgaan; sluiten; zich sluiten) | | |
| (uitlopen) | ; | |
🔗 U wist dat Molly met andere mannen uitging?
|
| (aflopen; verlopen; ten einde lopen) | | |
| (verscheiden; overlijden) | | |
| (omkomen; óndergaan; verongelukken; te gronde gaan; het leven laten) | | |
🔗 Hoe is het eerste schip vergaan?
|
| | |
🔗 Moet u de voetganger voor laten gaan?
|
| | |
| (voorlopen) | | |
| (vervolgen; doorgaan met; voortgaan met) | ; | |
|
| (afgaan; vertrekken; zich verwijderen; heengaan; ophoepelen; opstappen; ervandoor gaan) | | |
🔗 Om vier uur gaan we weg.
|
| (omkomen; vergaan; verongelukken; te gronde gaan; het leven laten) | | |
| (aanhanger) | ; | |