Informasie oor die woord afsluiten (Nederlands → Esperanto: fari)

Sinonieme: doen, sluiten, aandoen, aangaan, toebrengen, stellen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɑfslœʏ̯tən)/
Afbrekingaf·slui·ten

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) sluit af(ik) sloot af
(jij) sluit af(jij) sloot af
(hij) sluit af(hij) sloot af
(wij) sluiten af(wij) sloten af
(jullie) sluiten af(jullie) sloten af
(gij) sluit af(gij) sloot af
(zij) sluiten af(zij) sloten af
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) afsluite(dat ik) afslote
(dat jij) afsluite(dat jij) afslote
(dat hij) afsluite(dat hij) afslote
(dat wij) afsluiten(dat wij) afsloten
(dat jullie) afsluiten(dat jullie) afsloten
(dat gij) afsluitet(dat gij) afslotet
(dat zij) afsluiten(dat zij) afsloten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sluit afsluit af
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
afsluitend, afsluitende(hebben) afgesloten

Voorbeelde van gebruik

Als bedrijven meer afval hebben, moeten ze een contract afsluiten met particuliere afvalinzamelaars.

Vertalinge

Afrikaansaangaan; aandoen
Duitsschließen
Engelsmake
Esperantofari
Friesdwaan
Jamaikaanse Patoisdu
Nederduitsangån
Skotsdae