Informasie oor die woord uitvaren (Nederlands → Esperanto: furiozi)

Sinonieme: foeteren, fulmineren, razen, tieren, tekeergaan

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈœʏ̯tfaːrə(n)/
Afbrekinguit·va·ren

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) vaar uit(ik) voer uit
(jij) vaart uit(jij) voer uit
(hij) vaart uit(hij) voer uit
(wij) varen uit(wij) voeren uit
(jullie) varen uit(jullie) voeren uit
(gij) vaart uit(gij) voert uit
(zij) varen uit(zij) voeren uit
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) uitvare(dat ik) uitvoere
(dat jij) uitvare(dat jij) uitvoere
(dat hij) uitvare(dat hij) uitvoere
(dat wij) uitvaren(dat wij) uitvoeren
(dat jullie) uitvaren(dat jullie) uitvoeren
(dat gij) uitvaret(dat gij) uitvoeret
(dat zij) uitvaren(dat zij) uitvoeren
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
vaar uitvaart uit
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
uitvarend, uitvarende(zijn) uitgevaren

Voorbeelde van gebruik

Ze durfde het beslist niet tegen moeder te vertellen, want ook daarvoor zou moeder tegen haar uitvaren.

Vertalinge

Afrikaansuitvaar
Duitsstürmen; toben; rasen; wüten
Engelsstorm; inveigh
Esperantofuriozi
Faroëesleika í; leika á
Fransse déchaîner
Grieksαγριεύω
Russiesбушевать