| Engels | Nederlands |
|---|
| telling | ⇆ krachtig; ⇆ onthullend; ⇆ pakkend; ⇆ raak; ⇆ sprekend; ⇆ veelzeggend; ⇆ verhaal; ⇆ vertellen; ⇆ vertelling |
| there is no telling … | ⇆ niemand weet … |
| the story did not lose in the telling | ⇆ er is bij het doorvertellen het een en ander aan het verhaal toegevoegd |
| fortune‐telling | ⇆ waarzeggerij; ⇆ waarzegging |
| tale‐telling | ⇆ geklik |
| tell | ⇆ aanpakken; ⇆ bevelen; ⇆ effect hebben; ⇆ gelasten; ⇆ herkennen; ⇆ indruk maken; ⇆ kennen; ⇆ klikken; ⇆ mededelen; ⇆ meedelen; ⇆ melden; ⇆ onderrichten; ⇆ onderscheiden; ⇆ onthullen; ⇆ overbrieven; ⇆ oververtellen; ⇆ pakken; ⇆ refereren; ⇆ uitwerking hebben; ⇆ verhalen; ⇆ verklikken; ⇆ vermelden; ⇆ vertellen; ⇆ verwittigen; ⇆ waarschuwen; ⇆ zeggen; ⇆ zien; ⇆ zijn invloed doen gelden |
| telling‐off | ⇆ standje; ⇆ uitbrander |