Engels–Nederlands woordenboek
Nederlandse vertaling van het Engelse woord keep‐fit
| Engels | Nederlands (indirect vertaald) | Esperanto |
|---|---|---|
| (apoplectic fit; seizure; stroke; stroke of apoplexy; apoplexy) | ||
| (attack) | ||
esti laŭmezura | ||
| (conform; fit in; correspond) | ||
| ; ; in overeenstemming brengen ; | ||
sidi bone | ||
| (be suitable; be appropriate; suit; comply) | ||
| (suit; make … look) | aspektigi | |
| (be suitable; suit; be of use; serve; do) | ; geschikt zijn | |
| (access; attack; assault; strike; offensive; raid; onslaught) | ; | |
| (clothe; dress; suit; array; attire) | ; ; ; | |
| (of use; suitable; appropriate; apt; due; expedient; right; useful; fitting; applicable) | ; | |
| ||
‐adi | ||
| ||
| (breed; raise; rear; farm) | ||
loĝejturo | ||
| ||
| (guard; look after; watch over; preserve; safeguard; watch) | ||
| (conserve; maintain; preserve; cache; save; store) | ; ; | |
| (rescue; save; bail out) | ||
| (restrain; detain; inhibit; prevent; stop; withhold) | ; ; | |
| (record; register; enrol) | ; ; ; ; ; | |
| (remain; stay; stay over; abide; rest; stop; tarry) | ||
| (hang onto; hold; retain; maintain; have) | ; | |
| (remain; stay) | ||
| (follow; observe; act on; act upon; obey) | ||
| (fulfil; abide by; meet; observe; honour; comply with) | ||
| Engels | Nederlands |
|---|---|
| keep‐fit | ⇆ conditietraining |
| fit | ⇆ aanbrengen; ⇆ aaneensluiten; ⇆ aangepast zijn; ⇆ aanval; ⇆ behoorlijk; ⇆ bekwaam; ⇆ bekwaam maken; ⇆ beroerte; ⇆ bevlieging; ⇆ bezwijming; ⇆ bui; ⇆ fit; ⇆ fris; ⇆ gepast; ⇆ geschikt; ⇆ geschikt maken; ⇆ gezond; ⇆ goed zitten; ⇆ inbouwen; ⇆ inrichten; ⇆ insult; ⇆ monteren; ⇆ op zijn plaats zijn; ⇆ passen; ⇆ passen bij; ⇆ passen in; ⇆ passen op; ⇆ passen voor; ⇆ passend; ⇆ passend maken; ⇆ pasvorm; ⇆ rolberoerte; ⇆ stuip; ⇆ toeval; ⇆ uitrusten; ⇆ vlaag; ⇆ voegzaam; ⇆ volwaardig; ⇆ voorzien; ⇆ zetten; ⇆ zich aanpassen aan |
| keep | ⇆ behoeden; ⇆ behouden; ⇆ beschutten; ⇆ bewaken; ⇆ bewaren; ⇆ bewaring; ⇆ bijhouden; ⇆ blijven; ⇆ conserveren; ⇆ donjon; ⇆ doorgaan met; ⇆ erop nahouden; ⇆ eropna houden; ⇆ gevangenis; ⇆ goed blijven; ⇆ hoede; ⇆ hoeden; ⇆ houden; ⇆ kost; ⇆ mainteneren; ⇆ onderhoud; ⇆ onderhóúden; ⇆ ophouden; ⇆ slottoren; ⇆ tegenhouden; ⇆ terughouden; ⇆ verdedigen; ⇆ vieren; ⇆ zich goed houden; ⇆ zich houden; ⇆ zich houden aan |