Dictionnaire néerlandais–français

Traduction française du mot néerlandais scheiden

néerlandais → français
  
néerlandaisfrançais (traduit indirectement)espéranto
🔗 Voormalig K3‐zangeres Karen Damen gaat scheiden van haar man Antony Van der Wee.
(afzonderen; afscheiden; schiften)
séparer
;
trier
🔗 Het is nauwelijks mogelijk om jou van hem te scheiden, zelfs wanneer hij naar een geheime vergadering wordt geroepen en jij niet.
(afzonderlijk; apart; vaneen)
particulièrement
(onderkennen; onderscheid maken)
distinguer
;
dégager
;
identifier
;
reconnaître
🔗 Men onderscheidt edele en onedele metalen.
décorer
(aflaten; ophouden; stoppen; uitscheiden met; afbreken)
cesser
🔗 Ik schei ermee uit.
(sterven; vergaan; overlijden)
décéder
(sterven; heengaan; ontslapen; het tijdelijke voor het eeuwige verwisselen)
décéder
;
mourir
verscheiden
(dood; sterfgeval; heengaan; ontslapen)