Niederländisch–Deutsches Wörterbuch

Deutsche Übersetzung des niederländischen Wortes binden

Niederländisch → Deutsch
  
NiederländischDeutsch (indirekt übersetzt)Esperanto
(inbinden);
einbinden
verdichten
;
zusammendrängen
;
komprimieren
(vastbinden; vastmaken; verbinden);
🔗 Ook hij werd gebonden.
(meren; onderbinden; vastbinden; vastleggen; aanmeren)
anschließen
🔗 Vanaf vrijdag 6 december om 10 uur kan men de schaatsen aanbinden op de volledig overdekte schaatsbaan.
; ; ;
den Anfang machen
;
antreten
;
ergreifen
;
🔗 De overheid heeft de strijd aangebonden tegen fraude met onder andere kentekens.
(losbinden; losmaken)
entbinden
(verbinden);
verknüpfen
(Romeinse sla)
Römersalat
;
Römischer Salat
;
Bindesalat
roma laktuko
(inbinding; boekbinden)
Binden
;
Einbinden
(katwilg; teenwilg);
Binden
;
Einbinden
🔗 De Bellefroid begint al heel jong met boekbinden.
(binden);
einbinden
(afbinden; losmaken)
entbinden
umbinden
;
ĉirkaŭligi
(aanbinden)
anschließen
🔗 Nog nooit had ik echter met zóveel tegenzin de schaatsen ondergebonden als nu.
(ontleden)
zerlegen
(scheiden); ;
auseinander machen
; ; ;
zerstreuen
🔗 Maar de militairen hebben het parlement ontbonden en de grondwet tijdelijk buiten werking gesteld.
(verbinden);
verknüpfen
(aanbinden; meren; vastleggen; aanmeren)
anschließen
🔗 Simon bond het vast en Nilder boog zich weer over de railing.
(binden; vastmaken; verbinden);
🔗 En als zijn armen waren vastgebonden, hoe heeft hij het mes dan gebruikt?
;
verbünden
(verplichten)
verpflichten
devontigi
mit einem Gelenk verbinden
(associëren)
vereinen
;
vereinigen
;
zusammenfassen
;
miteinander kombinieren
;
assoziieren
;
zusammenheilen
;
verkleben
;
zusammenbacken
;
verkitten
(zwachtelen; inzwachtelen; omzwachtelen)
bandagieren
;
mit Bandagen versehen
;
🔗 Laat ik eerst uw hoofd betten en uw hand verbinden.
(combineren; samenvoegen)
kombinieren
; ;
verknüpfen
;
vereinigen
;
zusammenfügen
;
zusammenstellen
;
anordnen
(aansluiten)
anschließen
;
zusammenschließen
(bijeenbinden; samenbinden);
verknüpfen
(aansluiten; binden; vastbinden; vastmaken; liëren);