Dutch–English dictionary

English translation of the Dutch word kasgeld

Dutch → English
  
DutchEnglish (translated indirectly)Esperanto
(poen; centen; pegels);
dough
🔗 Geld speelt geen rol!
(holte)
socket
(broeikas)
greenhouse
;
(fonds);
cash‐box
;
socket of the eye
;
eye‐socket
🔗 Toen de holle kassen hun blik op het zwaard in Conans hand vestigden, begon er een sinistere spookachrige gloed in te branden.

DutchEnglish
kasgeld cash; float; till‐money
geld bankroll; cash; coin; dough; fee; funds; lucre; money; pelf
kas bezel; cash; chase; chest; exchequer; glasshouse; greenhouse; socket; case; cash desk; cash‐box; pay‐office; fund