| Nederlands | Afrikaans (onregstreeks vertaal) | Esperanto |
|---|
| (klaarkomen) | | |
🔗 „Ik kom” schreeuwt hij en meteen spuit hij zijn zaad in haar kut.
|
| | |
🔗 Maar stil, wie komt daar?
|
| | |
🔗 De wind kwam uit het westen.
|
| (nader treden; nabijkomen) | | |
🔗 Mochten ze naderbij komen, dan zou hij proberen er een te doden.
|
| | |
🔗 Ja, dat zal de sfeer misschien ten goede komen.
|
| (opdagen; uitkomen; verschijnen; voor de dag komen; voor den dag komen) | ; | |
🔗 Als ze ons zagen, zouden ze wel te voorschijn komen.
|
| (arriveren; belanden) | | |
🔗 Hoe laat kwamen jullie daar aan?
|
| (aanraken; toucheren) | | |
| (genieten; krijgen; ontvangen) | ; | |
🔗 De kereltjes wendden heer Ollie de rug toe en haastten zich naar de magiër om verdere inlichtingen te bekomen.
|
| (herstellen) | | |
🔗 Hier kunt u bekomen van uw ongeluk.
|
| (krijgen) | | |
🔗 In Tustvold bekomt u alleen datgene waar u voor betaalt.
|
| | |
🔗 De dienstbode kwam binnen.
|
| | |
| | |
| (opbrengst) | | |
🔗 Jij zult het inkomen van zijn klooster wel kennen.
|
| saamkom ; ; ; | |
🔗 Wie mag er dan met Jan meekomen?
|
| (nader treden) | | |
🔗 Het einde van alle dingen is nabijgekomen.
|
| (naleven; vervullen; zich houden aan; ten uitvoer brengen) | | |
🔗 Hij is het contract nagekomen.
|
| (volgen) | | |
🔗 Zorgvuldig deed ze de woningdeur achter zich dicht en kwam hen na.
|
| (rondzien) | | |
🔗 Ik kijk deze kamer rond.
|
| (bijeenkomen; vergaderen) | saamkom ; ; ; | |
🔗 Maar laat ik u eerst vertellen waarom wij hier samengekomen zijn.
|
| (aanlanden; belanden) | ; | |
🔗 Waar was ze terechtgekomen?
|
| | |
🔗 De helft van het geld komt mij toe.
|
| (gelegen komen; passen; schikken; voegen; conveniëren) | | |
| (opdagen; te voorschijn komen; verschijnen; voor de dag komen; voor den dag komen) | ; | |
🔗 Als de zon boven die den uitkomt, moet je drie anderen wakker maken.
|
| (verhoeden) | ; | |
🔗 Hoe zoudt gij het willen voorkomen?
|
| (zich bevinden) | ; | |
🔗 Jij zou natuurlijk ook in mijn boeken voorkomen.
|
| (gebeuren; geschieden; voorvallen; plaatsgrijpen; omgaan; zich voordoen; passeren; optreden; gevallen; zich toedragen) | ; ; ; ; ; | |
🔗 Dat is nog nooit voorgekomen.
|
| (eruitzien; ogen; zien) | | |
🔗 Het komt me voor dat het pand instort.
|
| (aanblik; aanzien; air; verschijning; uiterlijk; aspect) | | |
🔗 Toen Nestor dichterbij kwam, begonnen hem details in het voorkomen van de ander op te vallen.
|
| (bloeien; floreren; gedijen; tieren) | | |
| (terugkeren; terugkomen; wederkeren; weeromkomen; weerkeren) | ; | |
| (terugkeren; terugkomen; wederkeren; wederkomen; weerkeren) | ; | |
|
| (ontkomen) | | |
🔗 Er is een andere manier om hier weg te komen, ook al zal die je waarschijnlijk niet aanstaan.
|