| Nederlands | Afrikaans (onregstreeks vertaal) | Esperanto |
|---|
| (handelen; optreden; te werk gaan; handelen) | ; | |
| (steken; plaatsen; stoppen; zetten) | | |
🔗 Die gaf zijn gevangenen nog goed te eten, al deed hij wat veel knoflook in de soep.
|
| (indienen; voorstellen; brengen) | ; | |
🔗 Nu zal ik jullie een voorstel doen.
|
| | |
🔗 Marino moet zijn plicht doen en de waarheid vertellen.
|
| (sluiten; afsluiten; aandoen; toebrengen; stellen) | ; | |
🔗 Wil jij mij de eer doen om met me te trouwen?
|
| | |
🔗 Hij deed alsof hij steeds dover werd en binnen de kortste keren hadden ze geen gesprekken meer.
|
| (maken; uitvoeren; begaan; uitrichten; verrichten; uithalen) | ; ; ; ; ; | |
|
| | |
🔗 Hij brandt net als elke normale kaars, niet?
|
| ; | |
🔗 Maar hij was niet gelukkig.
|