Informasie oor die woord doen (Nederlands → Esperanto: fari)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/dun/
Afbrekingdoen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) doe(ik) deed
(jij) doet(jij) deed
(hij) doet(hij) deed
(wij) doen(wij) deden
(jullie) doen(jullie) deden
(gij) doet(gij) deedt
(zij) doen(zij) deden
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) doe(dat ik) dede
(dat jij) doe(dat jij) dede
(dat hij) doe(dat hij) dede
(dat wij) doen(dat wij) deden
(dat jullie) doen(dat jullie) deden
(dat gij) doet(dat gij) dedet
(dat zij) doen(dat zij) deden
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
doedoet
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
doend, doende(hebben) gedaan

Voorbeelde van gebruik

Hij deed alsof hij steeds dover werd en binnen de kortste keren hadden ze geen gesprekken meer.

Vertalinge

Afrikaansmaak
Duitstun
Engelsdo; act
Esperantofari
Friesdwaan