| nederlanda | esperanto |
|---|
| (lopend) | promenante |
| (stromen; vlieten; vloeien) | |
🔗 Met zijn hand veegde hij het zweet van zijn voorhoofd dat in zijn ogen liep.
|
| (gaan) | |
🔗 Daar loopt die idioot weer.
|
| |
🔗 Elak vermande zich en liep het water in.
|
| (stappen; treden; benen) | |
🔗 Hij en John liepen naar hun ouders, die in de menigte stonden te wachten.
|
| (gaan; te voet gaan) | piediri |
| (tippelen; wandelen) | |
| |
🔗 Het gesprek liep voor haar in de verkeerde richting.
|
| (gaan; varen) | |
🔗 We waren naar onze tent gelopen.
|
| (gaan) | |
🔗 Alles liep verkeerd, pa.
|
| |
🔗 De klok loopt niet goed.
|
| (varen) | |
🔗 Er loopt een pad naar de opening.
|
| |
🔗 Hij hield de steen boven het glas van de koning en liet het zand erin lopen.
|
| |