Dictionnaire néerlandais–français

Traduction française du mot néerlandais werken

néerlandais → français
  
néerlandaisfrançais (traduit indirectement)espéranto
(uitwerking hebben)
agir
;
opérer
;
être efficace
🔗 Maar het werkte wel.
(arbeiden)
🔗 Er wordt hard en lang gewerkt.
🔗 Waar werk je?
construire
;
fabriquer
; ;
opérer
;
poser
🔗 Hij vroeg zich af of hij soms op de ruïnes van de beschaving keek die deze vreemde mensen gewrocht hadden te midden van de woeste omgeving van hun vreemde, wilde verblijfplaats.
(beëindigen; afmaken)
achever
🔗 Werk de rest van je programma maar af.
(aanvullen)
compléter
;
produit
contribuer
;
concourir
;
coopérer
🔗 Echter, God wrocht sterk mee.
embellir
;
rendre plus beau
(tegengaan)
contrarier
;
contrevenir
🔗 Je ziet wat er gebeurt met mensen die de politie tegenwerken.
agir
;
opérer
;
être efficace
(arbeid)
🔗 Ook zei Putin er vertrouwen in te hebben dat Xāmene’i het werk van zijn vader ’Ali Xāmene’i „met eer” zal voortzetten.
(bank)
établi
🔗 De professor begaf zich zonder te antwoorden naar zijn werkbank en de assistent haastte zich het gebouw uit.
atelier
(atelier)
atelier
🔗 Bij het betreden van zijn werkplaats bleef hij echter getroffen staan.
verbe
🔗 Bij vele werkwoorden zijn aanwijzingen gegeven omtrent de vervoeging.