Information über das Wort aanleggen (Niederländisch → Esperanto: albordiĝi)

Synonyme: aan land gaan, aan wal komen, landen

WortartVerb
Aussprache/ˈanlɛɣə(n)/
Trennungaan·leg·gen

Konjugation

Indikativ
PräsensPräterium
(ik) leg aan(ik) legde aan
(jij) legt aan(jij) legde aan
(hij) legt aan(hij) legde aan
(wij) leggen aan(wij) legden aan
(jullie) leggen aan(jullie) legden aan
(gij) legt aan(gij) legdet aan
(zij) leggen aan(zij) legden aan
Konjunktiv
PräsensPräterium
(dat ik) aanlegge(dat ik) aanlegde
(dat jij) aanlegge(dat jij) aanlegde
(dat hij) aanlegge(dat hij) aanlegde
(dat wij) aanleggen(dat wij) aanlegden
(dat jullie) aanleggen(dat jullie) aanlegden
(dat gij) aanlegget(dat gij) aanlegdet
(dat zij) aanleggen(dat zij) aanlegden
Imperativ
Einzahl/MehrzahlMehrzahl
leg aanlegt aan
Partizipien
PräsenspartizipPerfektpartizip
aanleggend, aanleggende(hebben) aangelegd

Gebrauchsbeispiele

Ook legde schipper Tito niet aan in de brede baai waar de rivier de Styx zijn geweldige watermassa in de oceaan uitstortte en de massieve zwarte burchten van Khemi dreigend oprezen boven het blauwe water.
De zon stond al hoog aan de hemel toen de aak uiteindelijk aanlegde.

Übersetzungen

Afrikaansaanlê
Dänischlande
Deutschans Ufer kommen; das Ufer erreichen; das Ufer betreten; anlegen; landen
Englischberth
Esperantoalbordiĝi; alteriĝi
Färöerischkomast á land
Französischaborder
Isländischlanda; lenda
Niederdeutschlanden
Portugiesischatracar‐se
Saterfriesischloundje
Spanischabordar; atracar
Thaiขึ้นบก
Ungarischkiköt