Informatie over het woord boom (Nederlands → Esperanto: arbo)

Uitspraak/bom/
Afbrekingboom
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk
Meervoudbomen

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
boompjeboompjes

Voorbeelden van gebruik

Maar hij kwam in een boom terecht en bleef in de takken hangen.
Het is een machtige boom die 30 tot 40 m hoog wordt.
De verkenners kwamen van tussen de bomen vandaan en brachten de opperhoofden verslag uit.
Hij hoorde een geluid in de boom boven zich.
Maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten.
Bomen of banken stonden er niet.

Vertalingen

Afrikaansboom
Albaneesdru
Berbersaseklu (ⴰⵙⴻⴽⵍⵓ)
Catalaansarbre
Deenstræ
DuitsBaum
Engelstree
Engels (Oudengels)beam; treow
Esperantoarbo
Faeröerstræ
Finspuu
Fransarbre
Hawaiaanskumulāʻau; lāʻau
Hongaarsfa
IJslandstré
Italiaansalbero
Jiddischבוים
Latijnarbor
LuxemburgsBam
Maleispohon; pokok
Noorstre
Papiamentspalo; palu
Poolsdrzewo
Portugeesárvore
Roemeenspom
Russischдерево
SaterfriesBoom
Schots-Gaelischcraobh
Spaansárbol
Srananbon
Swahilimti
Thaisต้นไม้
Tsjechischstrom
Turksağaç
Westerlauwers Friesbeam
Zweedsträd