Informatie over het woord beloven (Nederlands → Esperanto: promesi)

Uitspraak/bəˈlovə(n)/
Afbrekingbe·lo·ven
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) beloof(ik) beloofde
(jij) belooft(jij) beloofde
(hij) belooft(hij) beloofde
(wij) beloven(wij) beloofden
(gij) belooft(gij) beloofdet
(zij) beloven(zij) beloofden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) belove(dat ik) beloofde
(dat jij) belove(dat jij) beloofde
(dat hij) belove(dat hij) beloofde
(dat wij) beloven(dat wij) beloofden
(dat gij) belovet(dat gij) beloofdet
(dat zij) beloven(dat zij) beloofden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
beloofbelooft
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
belovend, belovende(hebben) beloofd

Voorbeelden van gebruik

Dat beloofden de prinsen en ze hielden ook woord.
„Ik zal goed uitkijken”, beloofde hij.
Ik beloof je dat zij er heelhuids afkomen.
De prefect heeft het zelf beloofd.
„Het komt in orde”, beloofde de fotograaf.

Vertalingen

Afrikaansbeloof; belowe
Catalaansprometre
Deenslove
Duitsgeloben; verheißen; versprechen; zusagen
Engelspromise
Engels (Oudengels)behatan
Esperantopromesi
Faeröerslova
Finsluvata
Fransassurer; promettre
IJslandslofa
Italiaanspromettere
Latijnpolliceri; promittere
Noorslove
Papiamentsprimintí
Poolsobiecywać
Portugeesprometer
Saterfriesferspreeke; toutälle
Spaansprometer
Srananpramisi
Thaisสัญญา
Tsjechischpřislíbit; slíbit
Zweedslova