Informatie over het woord bisschop (Nederlands → Esperanto: episkopo)

Uitspraak/ˈbɪsxɔp/
Afbrekingbis·schop
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtmanlijk
Meervoudbisschoppen

Vertalingen

Afrikaansbiskop
Albaneesepishkopi
Deensbiskop
DuitsBischof
Engelsbishop
Engels (Oudengels)biscop
Esperantoepiskopo
Faeröersbiskupur
Fransévêque
Grieksδεσμότης; επίσκοπος
IJslandsbiskup
Italiaansvescovo
Latijnantistes; episcopus
Maleisbiskop; bisyop; uskup
Papiamentsobispo; obispu
Poolsbiskup
Portugeesbispo
Russischархиерей
SaterfriesBiskup
Spaansobispo
Sranangranleriman
Swahiliaskofu
Tagalogobispo
Tsjechischbiskup
Turkspiskopos
Westerlauwers Friesbiskop
Zweedsbiskop