Nederlands–Duits woordenboek
Duitse vertaling van het Nederlandse woord kunnen
| Nederlands | Duits (indirect vertaald) | Esperanto |
|---|---|---|
| (bij machte zijn) | ; vermögen | |
| ||
| (aanzien; dulden; toelaten; tolereren; velen; verdragen; pikken; lijden; gedogen; harden; op zich laten zitten) | ; | |
| ||