| nederlanda | esperanto |
|---|
| el ili |
🔗 Een paar ervan dreven naar de Nhiahar.
|
| da ĝi |
| (erover) | pri ĝi |
🔗 Ik vroeg me af wat Freud ervan gezegd zou hebben.
|
| de ĝi |
🔗 Maar in de maand augustus is de zee helemaal open, zelfs in het noordelijke gedeelte ervan.
|
| (ervan) | de ĝi |
🔗 Hij voelt er niets van!
|
| (aldaar; daar) | |
|
| (aan; door; vandaan) | |
🔗 Waar zijn de schoenen van de jongens?
|
| (uit; op; vanuit) | |
🔗 De treden waren van marmer.
|
van | |
| (aan; met; over; in; naar; voor; op) | |
🔗 Ze zijn zwak van verstand.
|
| (door; uit; vanwege; voor; wegens; met; om; aan) | |
🔗 En zij schreeuwden van vrees.
|
| (vanaf; af; van … af) | de sur |
🔗 We moeten proberen hen van dit eiland te krijgen.
|
| (in; binnen; per; te; op; aan) | |
🔗 En het zal nog wel kouder worden van de winter.
|