Synonymer: heerschap, here, sinjeur, heer
| Del av tal | common noun |
|---|
| Uttal | /məˈner/ |
|---|
| Avstavning | me·neer |
|---|
| Genus | maskulinum |
|---|
| Plural | meneren |
|---|
| Diminutiv |
|---|
| Singular | Plural |
|---|
| meneertje | meneertjes |
Het net sluit zich, meneer!
Meneer Dijkstra was het hier helemaal mee eens.
Ik heb deze zaak opgezet omdat ik weet waar ik over praat, meneer!
U beschrijven, meneren, hoe de zaken daar staan, durf ik niet.
We hebben daar ook gauw een krabbeltje van gemaakt, meneer.
Meneer, mag ik u iets vragen?
Een van meneer Peabody’s eigenaardigheden was dat hij zijn beste waren in de etalages placht uit te stallen.
Ik blijf hier om een paar woorden met deze meneer te wisselen.