Información sobre la palabra aaneenkoppelen (neerlandés → Esperanto: kupli)

Sinónimo: koppelen

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/aˈneŋkɔpələ(n)/
Separaciónaan·een·kop·pe·len

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) koppel aaneen(ik) koppelde aaneen
(jij) koppelt aaneen(jij) koppelde aaneen
(hij) koppelt aaneen(hij) koppelde aaneen
(wij) koppelen aaneen(wij) koppelden aaneen
(jullie) koppelen aaneen(jullie) koppelden aaneen
(gij) koppelt aaneen(gij) koppeldet aaneen
(zij) koppelen aaneen(zij) koppelden aaneen
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) aaneenkoppele(dat ik) aaneenkoppelde
(dat jij) aaneenkoppele(dat jij) aaneenkoppelde
(dat hij) aaneenkoppele(dat hij) aaneenkoppelde
(dat wij) aaneenkoppelen(dat wij) aaneenkoppelden
(dat jullie) aaneenkoppelen(dat jullie) aaneenkoppelden
(dat gij) aaneenkoppelet(dat gij) aaneenkoppeldet
(dat zij) aaneenkoppelen(dat zij) aaneenkoppelden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
koppel aaneenkoppelt aaneen
Participios
Participio presenteParticipio pasado
aaneenkoppelend, aaneenkoppelende(hebben) aaneengekoppeld

Traducciones

afrikáansaaneenkoppel
alemáneinrücken; kuppeln; ankuppeln; zusammenkuppeln; zusammenschalten
checospojit
españolacoplar
esperantokupli; kopli
feroéskøkja; kopla
francésaccoupler; coupler
frisón de Saterlandienrukje; koppelje
frisón occidentalkeppelje
ingléscouple
portuguésacoplar