Informatie over het woord oproepen (Nederlands → Esperanto: elvoki)

Synoniemen: naar buiten roepen, ten gevolge hebben, uitlokken, uitdagen, leiden tot, roepen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔprupə(n)/
Afbrekingop·roe·pen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) roep op(ik) riep op
(jij) roept op(jij) riep op
(hij) roept op(hij) riep op
(wij) roepen op(wij) riepen op
(jullie) roepen op(jullie) riepen op
(gij) roept op(gij) riept op
(zij) roepen op(zij) riepen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) oproepe(dat ik) opriepe
(dat jij) oproepe(dat jij) opriepe
(dat hij) oproepe(dat hij) opriepe
(dat wij) oproepen(dat wij) opriepen
(dat jullie) oproepen(dat jullie) opriepen
(dat gij) oproepet(dat gij) opriepet
(dat zij) oproepen(dat zij) opriepen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
roep oproept op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
oproepend, oproepende(hebben) opgeroepen

Vertalingen

Catalaansevocar
Duitsherausfordern; hervorrufen
Engelsevoke; call
Esperantoelvoki
Fransrappeler
Papiamentssklama
Portugeesevocar
Saterfrieshääruutfoarderje; hääruutfräigje
Spaansevocar