Information about the word pakken (Dutch → Esperanto: preni)

Synonyms: aanvatten, nemen, oprapen, vatten, oppakken

Part of speechverb
Pronunciation/ˈpɑkə(n)/
Hyphenationpak·ken

Conjugation

Indicative mood
Present tensePast tense
(ik) pak(ik) pakte
(jij) pakt(jij) pakte
(hij) pakt(hij) pakte
(wij) pakken(wij) pakten
(jullie) pakken(jullie) pakten
(gij) pakt(gij) paktet
(zij) pakken(zij) pakten
Subjunctive mood
Present tensePast tense
(dat ik) pakke(dat ik) pakte
(dat jij) pakke(dat jij) pakte
(dat hij) pakke(dat hij) pakte
(dat wij) pakken(dat wij) pakten
(dat jullie) pakken(dat jullie) pakten
(dat gij) pakket(dat gij) paktet
(dat zij) pakken(dat zij) pakten
Imperative mood
Singular/PluralPlural
pakpakt
Participles
Present participlePast participle
pakkend, pakkende(hebben) gepakt

Usage samples

Van jongens moet ik nog niets weten want toen ik 12 was, hebben ze mij met z’n drieën gepakt.
Pak een van die speren en volg me!
Hij pakte zijn hoed en liep naar de deur, waar hij als aan de grond genageld bleef staan.
Hij pakte de eerste de beste tram die over de brug ging en bleef aan de andere zijde op het tussenbalkon staan.

Translations

Afrikaansneem
Catalanagafar; prendre
Czechbráti
Danishgribe; tage; tage op
Englishlay hold of; take; get
Esperantopreni
Faeroesetaka
Finnishottaa
Frenchprendre
Germanfassen; nehmen
Greek (Classical Greek)αἱρέω
Hungarianvesz
Italianprendere; acchiappare
Jamaican Patoistek
Latincapere
Low Germannömmen; neamen
Malayambil
Norwegianta
Papiamentotuma
Polishbrać; wziąć
Portuguesepegar; tirar; tomar
Romanianlua
Russianбрать; взять
Saterland Frisianfoatje; pakje; nieme
Scotstak; tae
Scottish Gaelicgabh; thoir
Spanishasir; coger; tomar
Srananteki
Swedishfatta; ta; taga
Thaiเอา
Turkishalmak
West Frisiannimme
Yiddishנעמען