Informasie oor die woord afwegen (Nederlands → Esperanto: pripensi)

Sinonieme: bedenken, nadenken, overdenken, wikken, zinnen, zinnen op, nadenken over, prakkezeren, prakkizeren

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɑfʋeɣə(n)/
Afbrekingaf·we·gen

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) weeg af(ik) woog af
(jij) weegt af(jij) woog af
(hij) weegt af(hij) woog af
(wij) wegen af(wij) wogen af
(jullie) wegen af(jullie) wogen af
(gij) weegt af(gij) woogt af
(zij) wegen af(zij) wogen af
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) afwege(dat ik) afwoge
(dat jij) afwege(dat jij) afwoge
(dat hij) afwege(dat hij) afwoge
(dat wij) afwegen(dat wij) afwogen
(dat jullie) afwegen(dat jullie) afwogen
(dat gij) afweget(dat gij) afwoget
(dat zij) afwegen(dat zij) afwogen
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
weeg afweegt af
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
afwegend, afwegende(hebben) afgewogen

Vertalinge

Afrikaansdink; nadink; oorweeg
Deenssynes
Duitsbedenken; sich überlegen; sinnen; nachdenken; abwägen
Engelsweigh up; weigh
Esperantopripensi
Fransréfléchir
Friesneitinke
Katalaansmeditar; reflexionar; rumiar
Nederduitsbedinken
Poolsprzemyśleć
Portugeespensar; refletir
Saterfriesbetoanke; sik uurlääse
Spaansmeditar; reflexionar
Sweedsbegrunda; besinna; betänka; övertänka