Informasie oor die woord oppakken (Nederlands → Esperanto: aresti)

Sinonieme: aanhouden, arresteren, inrekenen, in verzekerde bewaring nemen, in hechtenis nemen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔpɑkə(n)/
Afbrekingop·pak·ken

Vervoeging

Aantonende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(ik) pak op(ik) pakte op
(jij) pakt op(jij) pakte op
(hij) pakt op(hij) pakte op
(wij) pakken op(wij) pakten op
(jullie) pakken op(jullie) pakten op
(gij) pakt op(gij) paktet op
(zij) pakken op(zij) pakten op
Aanvoegende wys
Teenwoordige tydVerlede tyd
(dat ik) oppakke(dat ik) oppakte
(dat jij) oppakke(dat jij) oppakte
(dat hij) oppakke(dat hij) oppakte
(dat wij) oppakken(dat wij) oppakten
(dat jullie) oppakken(dat jullie) oppakten
(dat gij) oppakket(dat gij) oppaktet
(dat zij) oppakken(dat zij) oppakten
Gebiedende wys
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
pak oppakt op
Deelwoorde
Teenwoordige deelwoordVerlede deelwoord
oppakkend, oppakkende(hebben) opgepakt

Voorbeelde van gebruik

Zeker twaalf mensen werden opgepakt.
Hij werd donderdag opgepakt vanwege het belachelijk maken van religieuze waarden en beledigen van president Recep Tayyip Erdoğan.
Hij maakt een heel behoorlijke kans dat ik hem laat oppakken en dan blijft ’ie voorlopig zitten.
Volgens het ministerie van binnenlandse zaken werden gisteren 121 mensen opgepakt bij verschillende protesten in Wit‐Rusland.
In de eerste week pakten agenten veertig mensen op.

Vertalinge

Afrikaansin hegtenis neem; arresteer; aankeer; aanhou
Deensarrestere
Duitsfestnehmen; verhaften; arrestieren
Engelsarrest
Esperantoaresti
Faroëeshandtaka; seta fastan
Fransarrêter
Friesoppakke; oanhâlde
Hongaarsletartóztat
Italiaansarrestare
Katalaansarrestar; detenir
Luxemburgsverhaften
Papiamentsarestá; detené
Portugeesapreender; apresar; capturar; prender
Russiesарестовать; арествать
Saterfriesarrestierje; fäästnieme; ferhaftje
Spaansarrestar; detener
Sweedsanhålla; arrestera; häkta
Tsjeggieszatknout
Walliesarestio