Informatie over het woord Zwiebel (Duits → Esperanto: cepo)

Synoniemen: Zwiebellauch, Bolle, Zipolle, Speisezwiebel, Küchenzwiebel, Gartenzwiebel, Sommerzwiebel, Hauszwiebel, Gemeine Zwiebel

Uitspraak/ˈtsviːbəl/
AfbrekingZwie·bel
Woordsoortzelfstandig naamwoord
Geslachtvrouwelijk

Verbuiging

 EnkelvoudMeervoud
NominatiefZwiebelZwiebeln
GenitiefZwiebelZwiebeln
DatiefZwiebelZwiebeln
AccusatiefZwiebelZwiebeln

Vertalingen

Afrikaansui; ajuin
Albaneesqepë
Catalaansceba
Deenskepaløg
Engelsonion
Engels (Oudengels)cipe
Esperantocepo
Finssipuli; ruokasipuli
Fransoignon
Hongaarsvöröshagyma
IJslandslaukur
Italiaanscipolla
Latijnallium; cepa
Maleisbawang
Nederduitscipel
Nederlandsui
Noorsvanlig løk; matløk; kepaløk; lauk; vanleg lauk
Oekraïensцибуля; цибуля городня
Papiamentssiboyo
Poolscebula zwyczajna; cebula
Portugeescebola
Roemeensceapă; ceapă de bucătărie; ceapă de grădină
Russischлук репчатый
Schotsingan
Schots-Gaelischuinnean
Spaanscebolla
Swahilikitunguu
Thaisหอมใหญ่
Tsjechischcibule kuchyňská
Turkssoğan
Welsnionyn; winwnsyn
Zweedsmatlök; kepalök; lök