Informatie over het woord tragen (Duits → Esperanto: surhavi)

Synoniemen: darauf sein, anhaben, umhaben, aufhaben

Uitspraak/ˈtraːɡən/
Afbrekingtra·gen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trage(ich) trug
(du) trägst(du) trugst
(er) trägt(er) trug
(wir) tragen(wir) trugen
(ihr) tragt(ihr) trugt
(sie) tragen(sie) trugen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) trage(ich) trüge
(du) tragest(du) trügest
(er) trage(er) trüge
(wir) tragen(wir) trügen
(ihr) traget(ihr) trüget
(sie) tragen(sie) trügen
Gebiedende wijs
(du) trage
(ihr) tragt
tragen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
tragend(haben) getragen

Voorbeelden van gebruik

Das trägt man bei uns zur Fuchsjagd.

Vertalingen

Afrikaansaanhê
Engelswear
Esperantosurhavi
Fransavoir; porter
Italiaansportare
Nederduitsdrägen; dragen
Nederlandsaanhebben; dragen; ophebben
Poolsnosić
Portugeescalçar
Spaansllevar; tener puesto
Srananweri
Thaisสวม; ใส่
Welsgwisgo
Westerlauwers Friesdrage