The conjugation of the verb nemen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) neem(ik) nam
(jij) neemt; neem (jij)(jij) nam
(hij) neemt(hij) nam
(wij) nemen(wij) namen
(gij) neemt(gij) naamt
(zij) nemen(zij) namen
Aanvoegende wijs
(ik) neme
(jij) neme
(hij) neme
(wij) nemen
(gij) nemet
(zij) nemen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
neemneemt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
nemend(e)(hebben) genomen