The conjugation of the verb knijpen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) knijp(ik) kneep
(jij) knijpt; knijp (jij)(jij) kneep
(hij) knijpt(hij) kneep
(wij) knijpen(wij) knepen
(gij) knijpt(gij) kneept
(zij) knijpen(zij) knepen
Aanvoegende wijs
(ik) knijpe
(jij) knijpe
(hij) knijpe
(wij) knijpen
(gij) knijpet
(zij) knijpen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
knijpknijpt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
knijpend(e)(hebben) geknepen