The conjugation of the verb "gaan"

gaan
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) ga(ik) ging
(jij) gaat; ga (jij)(jij) ging
(u) gaat(u) ging
(gij) gaat(gij) gingt
(hij) gaat(hij) ging
(wij) gaan(wij) gingen
(jullie) gaan(jullie) gingen
(zij) gaan(zij) gingen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
ga; (gij) gaatginge; (gij) ginget
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
gagaat
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gaand(e)(zijn) gegaan

Examples:

De dag erna gingen we naar Frankrijk.

De gewone man krijgt steeds meer door, wat er hier gaande is.

En nu is er dus weer een stukje cultuurgoed voorgoed verloren gegaan.

Gij gingt eerst maar tot Bombay, en waarlijk nu zijt gij al in China!

Hier gaan we wat vertellen over van alles wat met de zee en het strand te maken heeft.

Ik ga naar het water.

Vanaf Brussel gaat dagelijks een dagtrein met ruimte voor fietsen naar Milaan.