The conjugation of the verb gaan

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) ga(ik) ging
(jij) gaat; ga (jij)(jij) ging
(hij) gaat(hij) ging
(wij) gaan(wij) gingen
(gij) gaat(gij) gingt
(zij) gaan(zij) gingen
Aanvoegende wijs
(ik) ga
(jij) ga
(hij) ga
(wij) gaan
(gij) gaat
(zij) gaan
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
gagaat
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
gaand(e)(zijn) gegaan