|
|
The conjugation of the verb "gaan"
Examples: De dag erna gingen we naar Frankrijk. De gewone man krijgt steeds meer door, wat er hier gaande is. En nu is er dus weer een stukje cultuurgoed voorgoed verloren gegaan. Gij gingt eerst maar tot Bombay, en waarlijk nu zijt gij al in China! Hier gaan we wat vertellen over van alles wat met de zee en het strand te maken heeft. Ik ga naar het water. Vanaf Brussel gaat dagelijks een dagtrein met ruimte voor fietsen naar Milaan. |
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||