The conjugation of the verb buigen

Irregular forms are printed in red.
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) buig(ik) boog
(jij) buigt; buig (jij)(jij) boog
(hij) buigt(hij) boog
(wij) buigen(wij) bogen
(gij) buigt(gij) boogt
(zij) buigen(zij) bogen
Aanvoegende wijs
(ik) buige
(jij) buige
(hij) buige
(wij) buigen
(gij) buiget
(zij) buigen
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
buigbuigt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
buigend(e)(hebben 1/zijn 2) gebogen


Notes

1 transitive

Example: Hij heeft wel de regels nogal gebogen.

2 intransitive

Example: Door het gewicht van de vlag was de mast een beetje gebogen.