The conjugation of the verb "buigen"

buigen
Aantonende wijs
Onvoltooid tegenwoordige tijdOnvoltooid verleden tijd
(ik) buig(ik) boog
(jij) buigt; buig (jij)(jij) boog
(u) buigt(u) boog
(gij) buigt(gij) boogt
(hij) buigt(hij) boog
(wij) buigen(wij) bogen
(jullie) buigen(jullie) bogen
(zij) buigen(zij) bogen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
buige; (gij) buigetboge; (gij) boget
Gebiedende wijs
AlgemeenMeervoud
buigbuigt
Deelwoorden
TegenwoordigVerleden
buigend(e)(hebben) gebogen

Examples:

Afhankelijk van de toepassing kan bijvoorbeeld bij buigende momenten na het graven een wapeningskorf in de sleuf worden afgehangen.

Het isolatiemateriaal kan open worden gevouwen en om een leiding worden gebogen.

Hij boog zich naar voren om zijn oor tegen de deur te drukken.

Men blijve recht zitten, het gelaat naar de tafel gekeerd, en buige zo nodig enkel het hoofd een weinig rechts of links.

Toen Jozef het huis binnengekomen was, brachten zij het geschenk dat zij bij zich hadden, bij hem binnen en zij bogen zich voor hem ter aarde.