Informatie over het woord fressen (Duits → Esperanto: manĝi)

Uitspraak/ˈfrɛsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fresse(ich) fraß
(du) frißt(du) fraßest, fraßt
(er) frißt(er) fraß
(wir) fressen(wir) fraßen
(ihr) freßt(ihr) fraßt
(sie) fressen(sie) fraßen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) fresse(ich) fräße
(du) fressest(du) fräßest
(er) fresse(er) fräße
(wir) fressen(wir) fräßen
(ihr) fresset(ihr) fräßet
(sie) fressen(sie) fräßen
Gebiedende wijs
(du) friß
(ihr) freßt
fressen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
fressend(haben) gefressen

Voorbeelden van gebruik

Wir wissen eure Gastfreundschaft zu würdigen, aber die Pferde müssen fressen, und sie kennen unser Zelt und werden dorthin zurückkehren.

Vertalingen

Afrikaanseet; vreet
Albaneesha
Berbersecc (ⴻⵛⵛ)
Catalaansmenjar
Deensæde; spise
Engelseat
Engels (Oudengels)etan
Esperantomanĝi
Faeröerseta
Finssyödä
Fransdéjeuner; manger
Hawaiaanshoʻopiha; ʻai; ʻai iho
Hongaarseszik
IJslandséta
Italiaansmangiare
Jiddischעסן; אַכלען
Latijnedere
Luxemburgsiessen
Maleismakan; memakan
Nederlandsbikken; eten; vreten
Noorsspise; ete
Papiamentskome
Poolsjeść
Portugeescomer
Roemeensmânca
Russischесть; обедать; пообедать; съесть; кушать
Saterfriesfreete; genäite; iete; spiesje
Schots-Gaelischith
Spaanscomer
Sranannyan
Swahili‐la
Thaisกินอาหาร; รับประทาน; กิน; กินข้าว; ทาน; ทานข้าว
Tsjechischjíst
Turksyemek
Westerlauwers Friesite; frette
Zweedsspisa; äta