Informatie over het woord bombarderen (Nederlands → Esperanto: bombi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/bɔmbɑrˈderə(n)/
Afbrekingbom·bar·de·ren

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bombareer(ik) bombardeerde
(jij) bombareert(jij) bombardeerde
(hij) bombareert(hij) bombardeerde
(wij) bombarderen(wij) bombardeerden
(gij) bombareert(gij) bombardeerdet
(zij) bombarderen(zij) bombardeerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bombardere(dat ik) bombardeerde
(dat jij) bombardere(dat jij) bombardeerde
(dat hij) bombardere(dat hij) bombardeerde
(dat wij) bombarderen(dat wij) bombardeerden
(dat gij) bombarderet(dat gij) bombardeerdet
(dat zij) bombarderen(dat zij) bombardeerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bombareerbombareert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bombarderend, bombarderende(hebben) gebombardeerd

Voorbeelden van gebruik

Ik vraag het omdat er kans is dat we gebombardeerd worden.
En wilt u dat wij ze bombarderen?
Ook is het mogelijk dat Nederlandse F‐16’s dan toch gaan bombarderen.
Daar voor u is gebombardeerd terrein.
Legervliegtuigen bombardeerden vrijdag posities van opstandelingen.

Vertalingen

DuitsBomben werfen auf
Engelsbomb
Esperantobombi
Turksbombalamak