Informatie over het woord afschaffen (Nederlands → Esperanto: abrogacii)

Uitspraak/ˈɑfsxɑfə(n)/
Afbrekingaf·schaf·fen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schaf af(ik) schafte af
(jij) schaft af(jij) schafte af
(hij) schaft af(hij) schafte af
(wij) schaffen af(wij) schaften af
(gij) schaft af(gij) schaftet af
(zij) schaffen af(zij) schaften af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afschaffe(dat ik) afschafte
(dat jij) afschaffe(dat jij) afschafte
(dat hij) afschaffe(dat hij) afschafte
(dat wij) afschaffen(dat wij) afschaften
(dat gij) afschaffet(dat gij) afschaftet
(dat zij) afschaffen(dat zij) afschaften
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schaf afschaft af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afschaffend, afschaffende(hebben) afgeschaft

Vertalingen

Afrikaansafskaf; herroep; intrek; ophef
Duitsabrogieren; abschaffen; aufheben; außer Kraft setzen; zurücknehmen
Engelsabrogate
Esperantoabrogacii
Portugeesab‐rogar; anular; cassar