Informatie over het woord abdiceren (Nederlands → Esperanto: abdiki)

Uitspraak/ɑbdiˈseːrə(n)/
Afbrekingab·di·ce·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) abdiceer(ik) abdiceerde
(jij) abdiceert(jij) abdiceerde
(hij) abdiceert(hij) abdiceerde
(wij) abdiceren(wij) abdiceerden
(gij) abdiceert(gij) abdiceerdet
(zij) abdiceren(zij) abdiceerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) abdicere(dat ik) abdiceerde
(dat jij) abdicere(dat jij) abdiceerde
(dat hij) abdicere(dat hij) abdiceerde
(dat wij) abdiceren(dat wij) abdiceerden
(dat gij) abdiceret(dat gij) abdiceerdet
(dat zij) abdiceren(dat zij) abdiceerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
abdiceerabdiceert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
abdicerend, abdicerende(hebben) geabdiceerd

Vertalingen

Afrikaansabdikeer; afdank
Albaneesabdikoj
Catalaansabdicar; dimitir; renunciar
Duitsabdanken; abdizieren; sein Amt niederlegen; seine Würde niederlegen; verzichten; zurücktreten
Engelsabdicate
Esperantoabdiki
Faeröerssiga valdið frá sær
Fransabdiquer; renoncer à; se démettre de
Grieksαπαρνούμαι; εγκαταλείπω; παραιτούμαι
Hongaarslemond
Italiaansabdicare
Latijnabdicare; abire
Luxemburgsofdanken
Papiamentsabdiká
Portugeesabdicar; demitir‐se
Russischотречься
Saterfriesabdizierje; outonkje
Spaansabdicar; dimitir
Zweedsabdikera