Informatie over het woord roepen (Nederlands → Esperanto: ululi)

Uitspraak/ˈrupə(n)/
Afbrekingroe·pen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept(jij) riep
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(gij) roept(gij) riept
(zij) roepen(zij) riepen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) roepe(dat ik) riepe
(dat jij) roepe(dat jij) riepe
(dat hij) roepe(dat hij) riepe
(dat wij) roepen(dat wij) riepen
(dat gij) roepet(dat gij) riepet
(dat zij) roepen(dat zij) riepen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
roeproept
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
roepend, roepende(hebben) geroepen

Vertalingen

Engelshoot; howl; wail; yowl
Esperantoululi
Faeröerstúta; ýla
Portugeesuivar; ulular
Spaansaullar; ulular
Westerlauwers Friesroppe