Informatie over het woord opschorten (Nederlands → Esperanto: suspendi)

Uitspraak/ˈɔpsxɔrtə(n)/
Afbrekingop·schor·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schort op(ik) schortte op
(jij) schort op(jij) schortte op
(hij) schort op(hij) schortte op
(wij) schorten op(wij) schortten op
(gij) schort op(gij) schorttet op
(zij) schorten op(zij) schortten op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opschorte(dat ik) opschortte
(dat jij) opschorte(dat jij) opschortte
(dat hij) opschorte(dat hij) opschortte
(dat wij) opschorten(dat wij) opschortten
(dat gij) opschortet(dat gij) opschorttet
(dat zij) opschorten(dat zij) opschortten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schort opschort op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opschortend, opschortende(hebben) opgeschort

Voorbeelden van gebruik

De rechtszaak tegen de voormalige Oekraïense premier Julija Tymošenko over belastingfraude is maandag opgeschort tot 10 juli.

Vertalingen

Afrikaansskors
Engelspostpone
Esperantosuspendi
Franssuspendre
Portugeessuspender