Informatie over het woord surfen (Nederlands → Esperanto: surfrajdi)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) surf(ik) surfte
(jij) surft(jij) surfte
(hij) surft(hij) surfte
(wij) surfen(wij) surften
(gij) surft(gij) surftet
(zij) surfen(zij) surften
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) surfe(dat ik) surfte
(dat jij) surfe(dat jij) surfte
(dat hij) surfe(dat hij) surfte
(dat wij) surfen(dat wij) surften
(dat gij) surfet(dat gij) surftet
(dat zij) surfen(dat zij) surften
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
surfsurft
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
surfend, surfende(hebben) gesurft

Vertalingen

Engelssurf
Esperantosurfrajdi