Informatie over het woord bespieden (Nederlands → Esperanto: spioni)

Uitspraak/bəˈspidə(n)/
Afbrekingbe·spie·den
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bespied(ik) bespiedde
(jij) bespiedt(jij) bespiedde
(hij) bespiedt(hij) bespiedde
(wij) bespieden(wij) bespiedden
(gij) bespiedt(gij) bespieddet
(zij) bespieden(zij) bespiedden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bespiede(dat ik) bespiedde
(dat jij) bespiede(dat jij) bespiedde
(dat hij) bespiede(dat hij) bespiedde
(dat wij) bespieden(dat wij) bespiedden
(dat gij) bespiedet(dat gij) bespieddet
(dat zij) bespieden(dat zij) bespiedden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bespiedbespiedt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bespiedend, bespiedende(hebben) bespied

Voorbeelden van gebruik

Overal werden zij bespied.

Vertalingen

Afrikaansbegluur; beloer; spioneer
Duitsbelauschen; spionieren; spähen
Engelsspy; spy on
Esperantospioni
Italiaansspiare
Papiamentsspioná
Portugeesespionar
Saterfriesbelusterje; spionierje
Spaansacechar; espiar
Tsjechischšpehovat
Westerlauwers Friesspionearje
Zweedssnoka; speja; spionera