Informatie over het woord zitten (Nederlands → Esperanto: sidi)

Uitspraak/ˈzɪtə(n)/
Afbrekingzit·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zit(ik) zat
(jij) zit(jij) zat
(hij) zit(hij) zat
(wij) zitten(wij) zaten
(gij) zit(gij) zat
(zij) zitten(zij) zaten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) zitte(dat ik) zate
(dat jij) zitte(dat jij) zate
(dat hij) zitte(dat hij) zate
(dat wij) zitten(dat wij) zaten
(dat gij) zittet(dat gij) zatet
(dat zij) zitten(dat zij) zaten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zitzit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
zittend, zittende(hebben) gezeten

Voorbeelden van gebruik

We gingen achter de omheining zitten en we probeerden ons niet te bewegen, zelfs niet als we jeuk hadden.
Wat zit je hier alleen, Jan?
José zat ook naar hem te kijken.
Ik wou dat ik er zelf in zat.
Ik zit hier al een uur naar jullie te kijken.
Op een voorjaarsdag zaten de vorsten in de hal.
Binnen brandden de lichten boven twee tafels waaraan acht mannen zaten te kaarten.
Waarom moet ik me zo uitsloven als die lui toch nog nooit een zittende vrouw hebben gezien?

Vertalingen

Afrikaanssit
Berbersqqim (ⵇⵇⵉⵎ)
Catalaansseure
Deenssidde
Duitssitzen
Engelssit
Engels (Oudengels)sittan
Esperantosidi
Faeröerssita
Finsistua
Fransêtre assis; sièger
Hawaiaansnoho
Hongaarsül
Italiaansessere seduto
Jiddischזיצן
Latijnsedere
Maleisduduk
Noorssitte
Papiamentssinta
Poolssiedzieć; siadać
Portugeesestar sentado; ter assento
Russischпосидеть; сидеть
Saterfriessitte
Schots-Gaelischsuidh
Spaansestar sentado
Sranansidon
Swahili‐kaa
Thaisนั่ง
Tsjechischsedět
Turksoturmak
Welseistedd
Westerlauwers Friessitte
Zweedssitta