Informatie over het woord heersen (Nederlands → Esperanto: regi)

Uitspraak/ˈɦersə(n)/
Afbrekingheer·sen
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) heers(ik) heerste
(jij) heerst(jij) heerste
(hij) heerst(hij) heerste
(wij) heersen(wij) heersten
(gij) heerst(gij) heerstet
(zij) heersen(zij) heersten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) heerse(dat ik) heerste
(dat jij) heerse(dat jij) heerste
(dat hij) heerse(dat hij) heerste
(dat wij) heersen(dat wij) heersten
(dat gij) heerset(dat gij) heerstet
(dat zij) heersen(dat zij) heersten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
heersheerst
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
heersend, heersende(hebben) geheerst

Voorbeelden van gebruik

Toen hij zijn makkers ervan op de hoogte gesteld had, heerste er een algemene ontsteltenis onder hen.
In het warme zuiden heerst een heel ander klimaat dan bij ons, dat is bekend.

Vertalingen

Afrikaansbedwing; beheers; in bedwang hou; regeer
Catalaansdirigir; dominar; governar; regir
Deensbeherske; regere
Duitsbeherrschen; herrschen; regieren
Engelsreign; rule
Esperantoregi
Faeröersráða fyri; sjórna
Finshallita
Fransgouverner; régner; surveiller
IJslandsstilla
Italiaansdominare; governare
Latijngubernare; regere; regnare
Noorsbeherske; styre
Papiamentsgoberná; reina
Poolspanować; rządzić
Portugeesdominar; governar; reger
Roemeensconduce; controla; guverna
Saterfriesbehärskje; härskje; regierje
Spaansgobernar; regir; subyugar
Thaisปกครอง
Westerlauwers Friesregearje; hearskje
Zweedshärska; regera