Informatie over het woord weerleggen (Nederlands → Esperanto: refuti)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) weerleg(ik) weerlegde
(jij) weerlegt(jij) weerlegde
(hij) weerlegt(hij) weerlegde
(wij) weerleggen(wij) weerlegden
(gij) weerlegt(gij) weerlegdet
(zij) weerleggen(zij) weerlegden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) weerlegge(dat ik) weerlegde
(dat jij) weerlegge(dat jij) weerlegde
(dat hij) weerlegge(dat hij) weerlegde
(dat wij) weerleggen(dat wij) weerlegden
(dat gij) weerlegget(dat gij) weerlegdet
(dat zij) weerleggen(dat zij) weerlegden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
weerlegweerlegt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
weerleggend, weerleggende(hebben) weerlegd

Vertalingen

Duitsrefutieren; widerlegen
Engelsrebut; refute
Esperantorefuti
Faeröersmótprógva
Fransréfuter; rejeter
Portugeesrefutar
Saterfrieswierlääse
Spaansrefutar
Tsjechischvyvrátit