Informatie over het woord bejammeren (Nederlands → Esperanto: priplori)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/bəˈjɑmərə(n)/
Afbrekingbe·jam·me·ren

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) bejammer(ik) bejammerde
(jij) bejammert(jij) bejammerde
(hij) bejammert(hij) bejammerde
(wij) bejammeren(wij) bejammerden
(gij) bejammert(gij) bejammerdet
(zij) bejammeren(zij) bejammerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) bejammere(dat ik) bejammerde
(dat jij) bejammere(dat jij) bejammerde
(dat hij) bejammere(dat hij) bejammerde
(dat wij) bejammeren(dat wij) bejammerden
(dat gij) bejammeret(dat gij) bejammerdet
(dat zij) bejammeren(dat zij) bejammerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
bejammerbejammert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
bejammerend, bejammerende(hebben) bejammerd

Vertalingen

Afrikaansbejammer
Deensbeklage
Duitsbejammern; betrauern
Engelsbewail
Esperantopriplori
Fransregretter
Poolsopłakać
Saterfriesbejammerje; betruurje
Spaansdeplorar; llorar