Informatie over het woord beschließen (Duits → Esperanto: fini)

Uitspraak/bəˈʃliːsən/
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) beschließe(ich) beschloß
(du) beschließt(du) beschlossest, beschloßt
(er) beschließt(er) beschloß
(wir) beschließen(wir) beschlossen
(ihr) beschließt(ihr) beschloßt
(sie) beschließen(sie) beschlossen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ich) beschließe(ich) beschlösse
(du) beschließest(du) beschlössest
(er) beschließe(er) beschlösse
(wir) beschließen(wir) beschlössen
(ihr) beschließet(ihr) beschlösset
(sie) beschließen(sie) beschlössen
Gebiedende wijs
(du) beschließ
(ihr) beschließt
beschließen Sie
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
beschließend(haben) beschlossen

Vertalingen

Afrikaansafsluit; beëindig; eindig; ’n ent maak aan
Catalaansacabar; finir; terminar
Deensfuldende
Engelsend
Esperantofini
Faeröersenda
Finslopetta
Franscesser; finir; terminer
Italiaansfinire; terminare
Nederlandsafmaken; afsluiten; beëindigen; besluiten; uitmaken; voleindigen; een eind maken aan; eindigen
Papiamentsfinalisá; kaba; terminá
Poolskończyć
Portugeesacabar; encerrar; finalizar; terminar
Roemeenstermina
Saterfriesbe‐eendje; besluute; eendigje; eendje; oumoakje
Spaansacabar; terminar
Thaisจบ; เสร็จ
Turksbitirmek
Westerlauwers Friesbesljochtsje; dien meitsje; ôfmeitsje
Zweedsfullborda; ända