Informatie over het woord annuleren (Nederlands → Esperanto: nuligi)

Uitspraak/ɑnuˈleːrə(n)/
Afbrekingan·nu·le·ren
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) annuleer(ik) annuleerde
(jij) annuleert(jij) annuleerde
(hij) annuleert(hij) annuleerde
(wij) annuleren(wij) annuleerden
(gij) annuleert(gij) annuleerdet
(zij) annuleren(zij) annuleerden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) annulere(dat ik) annuleerde
(dat jij) annulere(dat jij) annuleerde
(dat hij) annulere(dat hij) annuleerde
(dat wij) annuleren(dat wij) annuleerden
(dat gij) annuleret(dat gij) annuleerdet
(dat zij) annuleren(dat zij) annuleerden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
annuleerannuleert
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
annulerend, annulerende(hebben) geannuleerd

Voorbeelden van gebruik

Een woordvoerster van KLM meldde dat geplande vluchten tussen Schiphol en Madrid vrijdagavond zijn geannuleerd.

Vertalingen

Afrikaansafsê; annulleer; kanselleer
Albaneesabrogoj
Deensaflyse; sende afbud
Duitsannullieren; für null und nichtig erklären; kassieren
Engelsannul; cancel; rescind
Esperantonuligi
Faeröersgera til einkis; taka aftur
Fransabroger; annuler; supprimer
Hongaarsmegsemmisít
Italiaansannullare
Maleisbatalkan; membatalkan
Papiamentsanulá; kanselá
Portugeesanular; declarar sem efeito; revogar
Roemeensabroga; anula
Saterfriesannullierje; kassierje
Spaansanular; contramandar
Turksfeshetmek; iptal etmek
Westerlauwers Friesannulearje; ôfsizze; skrasse
Zweedsarbeställa