Informatie over het woord vastklinken (Nederlands → Esperanto: niti)

Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) klink vast(ik) klonk vast
(jij) klinkt vast(jij) klonk vast
(hij) klinkt vast(hij) klonk vast
(wij) klinken vast(wij) klonken vast
(gij) klinkt vast(gij) klonkt vast
(zij) klinken vast(zij) klonken vast
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vastklinke(dat ik) vastklonke
(dat jij) vastklinke(dat jij) vastklonke
(dat hij) vastklinke(dat hij) vastklonke
(dat wij) vastklinken(dat wij) vastklonken
(dat gij) vastklinket(dat gij) vastklonket
(dat zij) vastklinken(dat zij) vastklonken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
klink vastklinkt vast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
vastklinkend, vastklinkende(hebben) vastgeklonken

Vertalingen

Engelsrivet
Esperantoniti
Faeröersklinka; njóða
Portugeesrebitar
Westerlauwers Friesklinke