Informatie over het woord vastmetselen (Nederlands → Esperanto: masonfiksi)

Uitspraak/ˈvɑstmɛtsələ(n)/
Afbrekingvast·met·se·len
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) metsel vast(ik) metselde vast
(jij) metselt vast(jij) metselde vast
(hij) metselt vast(hij) metselde vast
(wij) metselen vast(wij) metselden vast
(gij) metselt vast(gij) metseldet vast
(zij) metselen vast(zij) metselden vast
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) vastmetsele(dat ik) vastmetselde
(dat jij) vastmetsele(dat jij) vastmetselde
(dat hij) vastmetsele(dat hij) vastmetselde
(dat wij) vastmetselen(dat wij) vastmetselden
(dat gij) vastmetselet(dat gij) vastmetseldet
(dat zij) vastmetselen(dat zij) vastmetselden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
metsel vastmetselt vast
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
vastmetselend, vastmetselende(hebben) vastgemetseld

Voorbeelden van gebruik

De strenge vorst had het venster echter met ijs en klonten sneeuw vastgemetseld.

Vertalingen

Esperantomasonfiksi