Informatie over het woord uitzetten (Nederlands → Esperanto: malŝalti)

Uitspraak/ˈœʏ̯tsɛtə(n)/
Afbrekinguit·zet·ten
Woordsoortwerkwoord

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zet uit(ik) zette uit
(jij) zet uit(jij) zette uit
(hij) zet uit(hij) zette uit
(wij) zetten uit(wij) zetten uit
(gij) zet uit(gij) zettet uit
(zij) zetten uit(zij) zetten uit
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) uitzette(dat ik) uitzette
(dat jij) uitzette(dat jij) uitzette
(dat hij) uitzette(dat hij) uitzette
(dat wij) uitzetten(dat wij) uitzetten
(dat gij) uitzettet(dat gij) uitzettet
(dat zij) uitzetten(dat zij) uitzetten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zet uitzet uit
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
uitzettend, uitzettende(hebben) uitgezer

Vertalingen

Afrikaansafskakel
Deensafbryde
Duitsabstellen; ausschalten; abschalten
Engelsshut off; stop; switch off; turn off
Esperantomalŝalti; elŝalti
Portugeesdesligar