Informatie over het woord berispen (Nederlands → Esperanto: mallaŭdi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/bəˈrɪspə(n)/
Afbrekingbe·ris·pen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) berisp(ik) berispte
(jij) berispt(jij) berispte
(hij) berispt(hij) berispte
(wij) berispen(wij) berispten
(gij) berispt(gij) berisptet
(zij) berispen(zij) berispten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) berispe(dat ik) berispte
(dat jij) berispe(dat jij) berispte
(dat hij) berispe(dat hij) berispte
(dat wij) berispen(dat wij) berispten
(dat gij) berispet(dat gij) berisptet
(dat zij) berispen(dat zij) berispten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
berispberispt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
berispend, berispende(hebben) berispt

Vertalingen

Afrikaansberispe
Deensdadle
Duitszurechtweisen
Engelscensure; rebuke; reproach; reprove
Esperantomallaŭdi
Noorsdadle
Saterfriestougjuchtewiese; touwiskje
Spaanscensurar; desaprobar; reprender; reprobar